Als één persoon uit de bevolking van het land zonder opzet gezondigd heeft (...) dan moet hij zijn offergave brengen: een geit, een vrouwtje zonder enig gebrek, voor zijn zonde, die hij begaan heeft. Dan moet hij zijn hand op de kop van het zondoffer leggen, en men moet dat zondoffer slachten.
Leviticus 4 vers 27 tot en met 29
Door het tentenkamp van Israël in de woestijn loopt een man met een geit aan een touw naar de tabernakel waarin God woont, en laat het dier aan een priester zien. Die brengt hem naar het altaar.
De man kijkt niet blij: hij is God ongehoorzaam geweest en heeft vergeving nodig. Daarom moet hij dat dier offeren. Hij legt zijn hand op de kop van dat onschuldige dier, zodat z’n zonde daarop overgaat. Dan moet hij het beest eigenhandig slachten.
De priester verricht met het bloed, het vet en het vlees van het dier alle nodige handelingen. Dan kan de man verlicht en blij naar huis gaan: zijn schuld is bedekt.
Zo moest de Heere Jezus, Gods Zoon, terwijl Hij onschuldig was, sterven aan het kruis. Zijn bloed heeft Hij gestort om de schuld weg te doen van allen die in Hem geloven. Hij is het ware Offer!