Toen Hij dichtbij kwam en de stad zag, weende Hij over haar. Hij zei: Och, dat u ook nog op deze uw dag zou onderkennen wat tot uw vrede dient!
Lukas 19 vers 41 en 42
Op een ezel gezeten, omringd door een juichende mensenmassa, trok de Koning op naar Jeruzalem. Zijn aanhangers legden hun kleren op de weg, als een rode loper. Het volk stond klaar om Hem te ontvangen en te kronen.
De Heere Jezus Zelf reed stil verder door de haag van mensen. Toen Hij de stad in het oog kreeg, verbrak Hij Zijn zwijgen: Hij weende. Een jammerklacht was het over de geliefde stad. Hij wist dat Jeruzalem Hem enkele dagen later uit zou werpen. Binnen haar poorten was voor Hem geen plaats.
Niemand begreep Hem. Zijn discipelen verkeerden in een ‘overwinningsroes’: Zijn heerschappij was aangebroken! Met niemand kon Hij delen dat juist het moment van Zijn uitstoting was gekomen.
Wat vreselijk was het voor de Heiland dat Hij Zijn verdriet over de uitverkoren stad Jeruzalem aan niemand kwijt kon! Ook dat lijden moest Hij alleen dragen. Eenzaam ging Hij Zijn weg, naar het kruis!