De Farizeeër stond daar en bad dit bij zichzelf: O God, ik dank U dat ik niet ben zoals de andere mensen (...) De tollenaar bleef op een afstand staan en wilde ook zelfs zijn ogen niet naar de hemel opheffen, maar sloeg op zijn borst en zei: O God, wees mij, de zondaar, genadig.
Lukas 18 vers 11 en 13
Twee mensen gingen naar de tempel om te bidden.
De één was een religieuze man, leefde uiterst correct en dacht dat God met hem tevreden zou zijn. Hij ging ervan uit dat hij door zijn religieuze positie en inspanningen aangenomen zou worden.
De ander was een openlijke zondaar, een tollenaar. Die keek niet eens op naar de hemel, maar sloeg zich op de borst en bad God hem genadig te zijn. Deze ging gerechtvaardigd naar huis.
Waarin verschilden zij? De eerste zag zich zoals nogal wat mensen die braaf naar de kerk gaan. Ze geven toe dat ze niet volkomen zijn, maar geloven toch dat ze de hemel verdienen. Ze hebben immers hun best gedaan! De tollenaar maakte zich geen illusies. Hij vond zich niet rechtvaardig, maar bad om genade. Déze man vond vrede met God! De ander bleef, tevreden als hij was met zichzelf, ver van God.