Hij moet dan een deel van het bloed van de jonge stier nemen, en met zijn vinger op het verzoendeksel sprenkelen, aan de kant naar het oosten toe. En vóór het verzoendeksel moet hij zeven keer met zijn vinger van dat bloed sprenkelen.
Leviticus 16 vers 14
Alleen op de grote verzoendag, één keer per jaar, mocht de hogepriester binnengaan in het heilige der heiligen. Hij moest er van het bloed sprenkelen: één keer op het verzoendeksel op de ark en zeven keer vóór het verzoendeksel, dus op de grond.
Ja, voor God was één keer besprenkelen voldoende. Hij ziet het bloed van Christus. Op het kruis gestort en Hem aangeboden, is het voor God volkomen bevredigend. Door het sterven van de Heere Jezus is Hem absolute genoegdoening geschonken. Het offer was eens voor altijd.
Voor ons mensen heeft God in Zijn grote genade zeven keer laten sprenkelen. We mogen nu tot Zijn woonplaats naderen. We komen tot de ark waarop het verzoendeksel met de beide cherubs, de twee engelen, ligt. Dan staan we als het ware op het woestijnzand waarop het bloed is gesprenkeld. We staan op de grondslag van Christus’ sterven. Dat is het enige fundament dat God erkent!