Sta op en ga naar de straat die de rechte genoemd wordt, en vraag in het huis van Judas naar iemand van wie de naam Saulus is, uit Tarsus, want zie, hij bidt.
Handelingen 9 vers 11
Saulus reisde naar Damaskus om ook daar de christenen te vervolgen en uit te roeien. De Heere Jezus kwam hem tegen en bracht hem tot bezinning. Daarna zond Hij Zijn discipel Ananias naar Saulus toe. Om hem duidelijk te maken dat de christenvervolger echt tot inkeer was gekomen, zei Hij tegen Ananias: “Hij bidt”.
Saulus was een bijzonder godsdienstig mens geweest, een uiterst religieuze Jood. Wat zal hij vele en vrome gebeden hebben uitgesproken! Maar al dat bidden was niet een echt spreken met God geweest. Hij had immers geen levende verbinding met God. Waarom niet? Omdat hij de Zoon van God afwees!
Als iemand werkelijk bidt, brengt hij een mooie en belangrijke eigenschap van z’n nieuwe leven tot uitdrukking: afhankelijkheid. Het gebed is een groot voorrecht van een christen. Hij verlangt ernaar met God te spreken. We hebben Hem zo veel te zeggen en ook heel wat te vragen. Dat is de omgang van Gods kind met de Vader!