Zij namen dan het lichaam van Jezus en wikkelden het in linnen doeken, met de specerijen, zoals het de gewoonte van de Joden is bij het begraven. En er was bij de plaats waar Hij gekruisigd was, een hof en in de hof een nieuw graf, waarin nog nooit iemand gelegd was. Daar nu legden zij Jezus vanwege de voorbereiding van de Joden, omdat het graf dichtbij was.
Johannes 19 vers 40 tot en met 42
Mensen vergrepen zich aan Zijn Zoon. God zweeg. Het moest immers gebeuren, zodat de verzoening voor de zonde en de zondaar volbracht werd.
God liet toe dat mensen Hem gevangennamen en onrechtvaardigen Hem ‘berechtten’. Dat Zijn Zoon werd gegeseld en bespuwd. Dat een doornenkroon op Zijn hoofd werd gezet. Hij liet toe dat mensen Hem naar Golgotha brachten en Hem daar met spijkers aan het kruis sloegen.
Toen de Heere Jezus echter het werk had volbracht en in de dood was gegaan, heeft God de Vader niet toegelaten dat handen van goddelozen Zijn geliefde Zoon nog hebben aangeraakt. Twee vrome mannen namen Hem af van het kruis en legden Hem in een nieuw graf, gewikkeld in doeken met specerijen.