Zondag 8 november

Van de dieren waarvan het bloed als verzoening voor de zonde door de hogepriester het heiligdom werd binnengedragen, werden de lichamen buiten de legerplaats verbrand. Daarom heeft ook Jezus, om door Zijn eigen bloed het volk te heiligen, buiten de poort geleden.

Hebreeën 13 vers 11 en 12

 

Bij sommige zondoffers had God voorgeschreven: het bloed moest in het heiligdom worden gebracht en daar gesprenkeld, maar de lichamen moesten buiten het tentenkamp worden verbrand. Beide dingen vonden in het sterven van de Heere Jezus hun vervulling.

Hij was het Offer voor de zonde én de Hogepriester Zelf. Hij bood Zichzelf aan God als het Offer aan. Hij stond daar als het ware met een schaal vol bloed, Zijn eigen bloed. Hij sprenkelde het voor Gods aangezicht en daardoor werd aan al Gods eisen voldaan.

Tegelijk echter had de heilige God zo’n afschuw van de zonde en de ongerechtigheid, dat Hij Zich van de Heere Jezus afwendde toen Hij de zonden droeg. Buiten de poort moest de Heiland sterven. Want God kan met de zonde geen verbinding hebben.