Op U ben ik geworpen van de baarmoeder af, vanaf de moederschoot bent U mijn God. Blijf dan niet ver van mij, want de nood is nabij; er is immers geen helper.
Psalm 22 vers 11 en 12
Van kind af had de Heere Jezus geleefd in de dingen van Zijn Vader. God had de Mens Jezus Christus van dag tot dag gezegd wat Hij moest doen en verkondigen. Christus had op Hem vertrouwd. God was altijd bij Hem geweest, omdat Hij volmaakt gehoorzaam was. – De gemeenschap die de Heere Jezus met God de Vader had, was ononderbroken, ongestoord en volmaakt. Hij putte daaruit kracht. God was in alles Zijn Helper.
Dat duurde tot op het kruis. Ja, ook nog de eerste drie uren aan het kruis. Toen was de Heiland omringd door vijanden en haters. Zij hoonden en bespotten Hem, maar God stond Hem terzijde.
Midden op de dag echter, toen de zon het hoogste punt aan de hemel had bereikt, daalde er een diepe duisternis neer. Toen werd de Heere Jezus tot zonde gemaakt en trok God Zich van Hem terug.
Wat zijn de woorden van de Heiland aangrijpend: “Er is immers geen helper”! Hij leed geheel alleen.